Naar een betere stedelijke fiscaliteit De huidige systemen van belastingen op onroerende goederen zijn eerder ongunstig voor een gezonde ontwikkeling van het stedelijk vastgoed. In talrijke steden stelt zich bovendien een probleem van verkrotting. Een oplossing hiervoor bestaat ons inziens uit 2 belangrijke maatregelen. Vooreerst moeten de discriminaties inzake premiestelsels en fiscaliteit voor nieuwbouw en renovatie weggewerkt worden. Ook de hoge belasting op arbeid weegt zwaarder door bij renovatie, dewelke arbeidsintensiever is. Het verlaagde BTW-tarief bij renovatie dient zonder uitzondering toegepast te worden, ook bij vervanging van krotten door nieuwbouw. Daarnaast moet de heffingsbasis van de onroerende voorheffing grondig herdacht worden. Het kadastraal inkomen is een functie van de huurwaarde van eigendommen in 1975. Een woning dewelke nieuw of grondig gerenoveerd is wordt veel hoger belast dan een woning van dezelfde grootte op dezelfde ligging dewelke niet onderhouden is of niet vernieuwd wordt. De bouwaanvraag bij renovatie zal doorgaans aanleiding geven tot vestiging van een hogere belasting. Anders gezegd: goed beheer en onderhoud wordt fiscaal afgestraft. Dit perverse systeem kan best herzien worden als volgt: de onroerende voorheffing wordt in eerste instantie geheven op de waarde van de grond. De belasting op twee eigendommen van gelijke oppervlakte zou aldus identiek zijn. Momenteel is het land of terrein dat onder steden ligt feitelijk een fiscaal geïgnoreerde bron. Vanuit een louter economische invalshoek zijn grond en gebouwen nochtans zeer verschillende activa. Grond, in een stedelijke omgeving, heeft een waarde die louter het gevolg is van een aantal maatschappelijke factoren zoals de waardering voor de buurt, toegankelijkheid tot wegen en openbaar vervoer, een gezonde economische omgeving enz... Niets wat de eigenaar eigenhandig aan die grond kan doen, buiten politieke manipulaties, zal de waarde ervan beïnvloeden. Indien de waarde van een perceel stijgt, wegens bijvoorbeeld de (her)aanleg van een dichtbij gelegen plein of park, dan wordt de eigenaar van het perceel (potentieel) rijker dankzij het werk en de investering van de gemeenschap, dankzij de inzet van middelen van de belastingbetaler. Gebouwen daarentegen kunnen zeer eenvoudig vernield worden – in tegenstelling tot grond – en ook hersteld en opnieuw opgetrokken worden. Een eigenaar van een gebouw kan de waarde van de grond waar zijn gebouw op staat niet beïnvloeden, maar kan wel de waarde van zijn gebouw sterk beïnvloeden. Door herstellingen, verbeteringen, renovatie enzovoorts.... Aangezien gebouwen en de grond economisch dusdanig van aard verschillen is de onroerende voorheffing eigenlijk een samenvoegen van paradoxale belastingen. De belasting op de waarde van het gebouw is een belasting op werk en ondernemerschap. Deze belasting vermindert het aanbod aan gebouwen (door ze duurder te maken voor de eigenaren), verhoogt de prijs van woningen en kantoren en penaliseert aldus stedelijke ontwikkeling en renovatie. Een belasting op de loutere grondwaarde penaliseert de economische ontwikkeling niet. De belasting op diegene die een pand heeft staan in gebrekkige staat zal relatief zwaarder doorwegen ten opzichte van de lage, of afwezige, huuropbrengst van dit pand.. Renoveren zal het rendement aanzienlijk doen toenemen. Een grondbelasting ontmoedigt dus niet het bouwen of renoveren in de stad. Ze zou ook geen gevolgen hebben op de huurprijzen. Integendeel, is de enige manier om de pijn te verzachten de (huur)waarde van het gebouw te verhogen door bouwkundige ingrepen. Indien de totale som aan belastingen niet wijzigt heeft ze ook geen globaal gevolgen op de huurprijzen.Ze heeft m.a.w. geen ontmoedigend effect op de economische ontwikkeling. Talrijke steden in Denemarken, delen van Australië, Colombia, Indonesië, Jamaica, Nieuw Zeeland, de staat Pensilvania, Zuid Afrika en Zuid Korea hebben gedeeltelijk of volledig deze overstap reeds gemaakt. De meeste onder hen hebben vastgesteld dat deze aanpassing meer constructies aanmoedigt op centrale locaties, en op die manier verrijkend werkt naar de centra toe en de stadsvlucht afremt. Een hogere grondbelasting zet ook speculanten aan om projecten te ontwikkelen in plaats van iets te laten leegstaan of verkrotten. Indien we een wereldkaart zouden uittekenen waarop elke hectare in verhouding tot zijn commerciële waarde zou neergezet worden, dan zouden de steden nagenoeg de continenten opvullen. Het leeuwendeel van de grondwaarde, en dus de potentiële belastingsinkomsten hieruit, ligt dus in de steden. In de 20e eeuw was Melbourne in Australië één van de beste laboratoria om de toepassing van dit principe te analyseren. De helft van de 56 lokale overheden binnen die metropool hebben tussen 1919 en 1986 de belasting op gebouwen geëlimineerd en een heffing op de grondwaarde ingevoerd. Vandaag stelt men vast dat de districten die zo gehandeld hebben een bevolkings- en bebouwingsdichtheid die anderhalf keer zo hoog is als in de districten met een traditionele gemengde onroerende belasting; de verschillen worden groter naarmate er eerder werd overgestapt naar het nieuwe belastingsysteem. Meer bouwwerven binnen de stadsgrenzen hebben bovendien de druk verminderd op buitenstedelijke expansie. Pittsburgh in de staat Pensilvanië is een ander prominent experiment op dit vlak. In 1979 en 1980 heeft de stad het aandeel van de grondwaardebelasting verhoogd, in het kader van een politiek pakket aan maatregelen bedoeld om een commerciële herleving van de stadskern te bewerkstelligen. Gedurende de jaren ’80 was de bouwgraad in het centrum van de stad 70% hoger dan het gemiddelde van de voorafgaande 20 jaar. “De hogere grondwaardebelasting is hiervoor minstens deels verantwoordelijk”, aldus Wallace B. Oates en Robert M. Schwab, economen aan de University of Maryland, “omdat ze de stad heeft toegelaten belastingen te heffen die economische ontwikkeling niet ontmoedigd hebben.” In situaties waarin de economie of de bevolking van steden die de grondwaarde belasten gegroeid is, of waar lokale overheden extra wegen en infrastructuur neergezet hebben, is de waarde van gronden uiteraard gestegen. Automatisch zijn ook de belastingen hierop gestegen, en is de nood van andere belastingen verder gedaald. Uiteraard moeten de nodige verminderingen ingebouwd worden voor beschermde gebouwen, parken of tuinen, dewelke eveneens hun rol hebben in de aantrekkelijkheid van de stad. Naar een betere spreiding van de stadsinkomsten |
Door de toegenomen mobiliteit is het tevens niet langer logisch de belasting voor de steden enkel te heffen op het historische stedelijke grondgebied. De fiscale regelgeving is relatief gunstiger naarmate meer kilometers afgelegd worden. Het autoverkeer is sterk toegenomen omdat het reëel goedkoper geworden is de laatste dertig jaar. Afstanden rijden weegt thans onvoldoende door als variabele voor het kiezen van een woonplaats. Het zou correct zijn dat diegene die zich op een afgelegen plaats vestigt hiervan ook de kosten draagt. Nu is het zo dat de stedelingen, alwaar de infrastructuur reeds van oudsher aanwezig is, mee de uitbouw van nieuwe infrastructuur op het platteland financieren. Een betere opdeling van de intercommunales in dit verband is wenselijk. Een ruimere geografische heffing, tenslotte, op het niveau van het stadsgewest is om die reden te verkiezen. De stadsgewesten vervangen dan de provincies. Voor het overige geldt het subsidiariteitsbeginsel: de verschillende overheidstaken zullen dan plaatsvinden op het niveau van het stadsgewest wanneer dat aangewezen is en anders door de gemeenten, zoals voorheen. De fusiegemeente Antwerpen zelf wordt best terug opgesplitst in afzonderlijke gemeenten die rechtstreeks onder het stadsgewest ressorteren. In dit systeem blijft het mogelijk om voor de verschillende deelgemeenten verschillende opcentiemen te heffen. Fiscale concurrentie blijft een noodzaak om de kwaliteit van de verschillende besturen te verbeteren. Het aandeel dat de provincie daarvoor had wordt vervangen door de opcentiemen voor het stadsgewest. Een andere denkpiste is de opcentiemen op de inkomstenbelasting al dan niet gedeeltelijk te heffen op de plaats van tewerkstelling. Er wordt nog van veel centrumfuncties van de stad gebruik gemaakt zonder er tewerkgesteld te zijn of te wonen. Daarom is deze denkpiste niet aangewezen als de enige weg naar een verbetering van de stedelijke fiscaliteit. ConclusieFiscale systemen zijn de meest eenvoudige en snelst toepasbare methode om een kentering teweeg te brengen, zonder aan overreglementering te doen. We moeten onze fiscale systemen dan ook dringend moderniseren. De lasten moeten verlegd worden van creativiteit en arbeid naar de vervuiler en verbruiker van de gemeenschappelijke en/of natuurlijke rijkdom. De financiële situatie van steden, verkrotting, pollutie, verkeerscongestie en de verstedelijking van het land zullen door een verschuiving van belastingen fel verbeterd worden. De voorgestelde hervorming inzake grondfiscaliteit zal in Antwerpen ongetwijfeld meer renovatie en investeringen losweken. Een aangenamere woonomgeving leidt automatisch tot een grotere aantrekkingskracht voor hogere inkomens. Deze nieuwe dynamiek zal leiden tot meer tewerkstelling. Verdichting vermindert de noodzaak aan veel verplaatsingen wat dan weer de verkeersoverlast vermindert en de verkeersveiligheid ten goede komt. Marc Wajsberg en Christian Floru (Antwerpse ondernemers, beide actief binnen de VLD en de studiegroep Antwerpen overMorgen) |